Onderweg naar morgen (juli 2010)

We kennen allemaal wel de woorden: lopen, wandelen, schuifelen en sloffen maar om de precieze definitie, de omschrijving te kunnen weergeven, wordt het toch wat moeilijk. Hoe bewegen we ons voort? Wat stuurt de mechaniek van de beweging van de benen, de knieën en de voeten aan? Is dat het bewustzijn? Is dat het onderbewustzijn?

Zo kon het gebeuren dat ik tijdens een van mijn psychoses verzeild raakte in de buurt waar mijn beste vriend woont. Hoe ik daar gekomen was, ik kan het U niet vertellen. Waarom ik daar naartoe gegaan was? Waarschijnlijk uit een soort van zoektocht naar veiligheid, geborgenheid en hulp maar ook hier moet er een soort van besturing aanwezig zijn geweest want ik reed met de auto van mijn huis naar zijn huis terwijl ik me hier achteraf niets van kan herinneren. Een soort van automatische piloot dus, die de vertrouwde route voor mij bepaalde.

Ik heb aangebeld, dat weet ik nog, maar ik vond niemand thuis en daarna bestaan mijn herinneringen alleen nog uit korte, bevroren fragmentjes. Plotsklaps sta ik aan het Spaarne en besluit dat het de tijd van het jaar niet is om, met kleren aan, te gaan zwemmen. In een ander fragment sta ik bij volledig onbekende mensen te vragen naar de weg naar de Gamma, terwijl ik daar helemaal niet moet zijn. Ook realiseer ik me plots dat er een fiets op de stoep geparkeerd staat. Ik moet daar in een wijde boog omheen zodat ik mijn kleren niet vies zal maken.

sleutelDe buurt waar mijn vriend woont, is mij eigenlijk totaal onbekend. Zijn straat weet ik blindelings te vinden maar zet mij twee straten verderop neer: ik verdwaal hopeloos. Op de een of andere manier presteerde ik het toch om van het midden van de Amsterdamse buurt, waar hij woont, naar het Spaarne te wandelen en ook de route terug werd vlekkeloos genomen want ik kwam weer uit waar ik gestart was: namelijk voor de huisdeur van mijn vriend. Ik was kennelijk onderweg naar morgen.

Bewustzijn of onderbewustzijn? Toen ik kort nadien in de kliniek was opgenomen, schuifelde ik door de gang. Ik registreerde de rode en gele deuren van de kamers met de naambordjes van medecliënten. Ik nam de bordjes waar waarop wasruimte, ontspanningskamer en isoleercel geschreven stonden maar mijn eigen kamer kon ik maar met de allergrootste moeite terugvinden. Liep ik aan de rechterkant van de gang dan was mijn herkenningspunt de felgekleurde gordijnen die voor het raam met zicht op de buitenwereld hingen. Slofte ik aan de linkerkant van de gang dan werd het absolute midden bepaald door de post waar de medicatie werd uitgedeeld. Ik stond lang stil om naar die buitenwereld te kijken maar iets in mij zei ook weer dat ik daar niet kon blijven staan. Ik moest weer verder onderweg.

Eenmaal die beslissing genomen om verder te gaan, keerde ik om mijn as en vervolgde mijn weg langs de andere kant van diezelfde gang. O, wat was ik blij als ik de deur van mijn kamer met mijn naam had gevonden. Je had kennelijk een sleutel nodig om die deur open te krijgen. Vol verbazing merkte ik dat ik die sleutel al die tijd al in mijn rechterhand had en met een zucht van verlichting draaide ik de deur los. Gauw naar bed om na een aantal uren slaap dezelfde cyclus van onderweg naar morgen weer af te leggen.

Rolf Th.J. van der Geest (ervaringsdeskundige).

© Copyright Cliënten Belangen Blad juli 2010

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *